België door de ogen van Suske en Wiske

Stripverhalen over de naoorlogse geschiedenis 

Aspecten van Suske en Wiske die je bijblijven.

Vrijwel iedereen kent de Belgische stripreeks Suske en Wiske, bedacht en oorspronlelijk getekend door Willy Vandersteen (1913-1990). De verhalen verschenen van 1945 t/m 2022 in De (Nieuwe) Standaard. De strips hebben in 1977 de geschiedenis van België in beeld gebracht. Deze geschiedenis door de ogen van Suske en Wiske wordt beschreven door dertien kenners en fans. 

Samensteller

Lisa Noteris studeerde internationale politiek en communicatiewetenschappen. Ze is freelance journalist, interviewer en copywriter. Ze schrijft onder andere voor MO Magazine, De Groene Amsterdammer, De Tijd en de Stripgids.

Walter Zinzen schrijft in 1946 het verhaal De vliegende aap over, Suske, Wiske en tante Sidonia die een broer van Lambik bezoeken die in Afrika woont. Er was nog weinig bekend over dat continent. De enige bron van informatie kwam van missionarissen. Zij vertelden dat er in Congo nog heel wat menseneters waren. In het verhaal komt slechts één blanke voor, de andere personages zijn wilden met een bot in hun haar. Ze willen Suske, Wiske en Lambik gaar stoven. Is er sprake van racisme? Volgens de schrijver niet, want Wiske kon aan de kookpot ontsnappen door te roepen: ‘Mijne heren, we zijn allemaal mensen onder elkaar’ Overigens spreken de inboorlingen een soort koeterwaals, krom Nederlands, bijvoorbeeld: ‘Krokodil zij Jujubeke opeten willen.’

Walter Pauli onderzocht tot welk sociaal milieu Wiske en consorten behoorden. Vandersteen wilde van meet af aan een herkenbare Vlaamse volksstrip te maken. Volgens Pauli gelukte dit niet. Vandersteen richtte zich op de lezers van de krant, de ruggengraat van het katholieke Vlaanderen: het hogere ambtenarenkorps, cultureel geïnteresseerde leerkrachten, middenstanders en kaderpersoneel. Tante Sidonia wordt gesitueerd bij de middenklasse. Dat geldt niet voor Lambik. Deze manifesteert zich als werkmens. In de strip De ringelingschat heeft Lambik een discussie met een tramconducteur. Hij voelt zich slecht behandeld en zoekt steun bij de medepassagiers. Als reactie hoort hij: ‘Excuses! Wij zijn geen werkvolk. U ziet toch dat wij employés zijn’.

Sarah van Bouchaute probeert uit de verhalen een karakterschets te maken van tante Sidonia. Zich schikkend naar de tijdgeest wijdt Sidonia zich plichtmatig aan huishoudelijk werk. In de strip Beminde Barabas ruilt ze tijdelijk met Lambik: hij huisman en zij loodgieter. Sidonia is vrijgezel. Ze is wel steeds op zoek naar een man om mee te trouwen. Lambik is een voor de hand liggende partner, maar hij vindt haar niet mooi genoeg. Soms beledigt hij haar en krijgt dan als reactie een schoen tegen zijn achterhoofd. Regelmatig wordt Sidonia getroffen door een toeval. Ze knalt met haar hoofd op de grond en slaakt de kreten ‘eeek’ of ‘woea’. In de strip De Tuf-Tuf-club zit tante Sidonia na een aanval met haar voeten in een mosterdvoetbad.

Dit waren drie voorbeelden van de dertien verhalen. Andere onderwerpen zijn : de dierfiguren in de strips, de Spaanse Nederlanden, Barabas en wetenschap, de taal van de tekstballon, de jongerencultuur, Suske en Wiske in Nederland, de koningskwestie, censuur en katholieke strips. Een leuke bundel, jammer dat er geen voorwoord in staat. Helaas ontbreken ook illustraties.

Een verrassende kijk op de Suske en Wiske strips.

Lisa Noteris (samensteller) – België door de ogen van Suske en Wiske. ISBN 978-90-5240-893-4, 197 pagina’s, € 22,99. Antwerpen: Uitgeverij Houtekiet 2024.

Dit bericht is geplaatst in Alle Boeken, Cultuur, Geschiedenis. Bookmark de permalink.