Met of zonder?

Over de betekenis van religie op privé en publiek terrein

Voor velen is religie een randverschijnsel. Martien Brinkman pleit voor een prominentere plaats van religie in het publieke terrein en in het leven van de individuele mens.

Dit serieuze boek over religie kent een wat banaal begin. De vraag van de patatboer of je wel of geen mayonaise wilt bij de patat. De jonge Martien hoefde die vette kledder niet. Anders luidt zijn antwoord op de vraag of we als maatschappij of individu met of zonder geloof door het leven moeten gaan. Van begin af aan is het duidelijk dat Brinkman in dit geval duidelijk kiest voor een leven met religie. In het eerste hoofdstuk staat een brede analyse van de plaats van religie in de samenleving.  Religie komt er bij veel mensen en ook de overheid bekaaid af. In het tweede hoofdstuk bespreekt hij het werk van schrijver Oek de Jong en dichter Rutger Kopland. Beiden hebben afstand gedaan van hun geloof maar Brinkman bespeurt in hun werk toch een verlangen naar andere dimensie die uitstijgt boven de gewone werkelijkheid.

Auteur

Martien Brinkman (1950) is emeritus hoogleraar theologie. Als decaan van de Faculteit Religie en Theologie van de VU stond hij aan de wieg van het Centrum voor Islamitische Theologie. De laatste twintig jaar publiceerde hij op het gebied van religie en cultuur, o.a. Het drama van de menselijke vrijheid, Jezus Incognito, Hun God de mijne?, Dichtbij het onuitsprekelijke, Grote woorden.

 

In de ondertitel onderscheidt Brinkman twee terreinen waar het geloof een rol kan spelen: het privédomein en het publiek terrein. Het is jammer dat hij beide terreinen door elkaar bespreekt en niet in aparte hoofdstukjes. Een leven zonder religie. Brinkman noemt dat levensbeschouwelijk materialisme. Het betreft hier een levenshouding waarin de zichtbare materie een alles beheersende plaats inneemt. Er wordt niet gevraagd naar het waarom en het waartoe van de dingen.  Men berust in de feiten, het zo-zijn van de dingen. It happens. Religieuze levensvragen spelen geen rol meer. Brinkman ziet als gevolg van deze houding dat mensen zich vooral op hun eigen leven fixeren. Hij noemt dat een uitvergroting van het persoonlijke. Dit kan bij een uitvaart leiden tot toespraken en een muziekkeuze die al te persoonlijk worden. Brinkman is hier erg kritisch over. Pastoraal is deze mening nogal hard.

Volgens de schrijver gaat het bij religie juist om ontgrenzing van het individuele bestaan. Elk individu wordt in een groter verband geplaatst zodat hij deel kan uitmaken van een gemeenschap met herkenbare teksten, rituelen en symbolen.

Een indrukwekkend stuk  in het boek handelt over de waaromvraag. Waarom laat God al dat lijden toe? Is er na Auschwitz nog geloof in God mogelijk? Al het kwaad is afkomstig van God. Waarom grijpt God niet in? Hij heeft toch alle touwtjes in handen? Veel mensen zien God als al te menselijk. Hij is de allesweter en alleskunner. Brinkman zit niet op zo’n God te wachten. De mens draagt nergens de verantwoording voor en hem wordt ook geen millimeter speelruimte gelaten. Toch komt de schrijver uit bij Gods liefde. Hij voorkomt geen tegenslagen, maar draagt wel mee en helpt te boven te komen.

Religie in de publieke ruimte. Deze ruimte wordt gedefinieerd als: alle levensterreinen waarop het door de overheid gereguleerde leven afspeelt. De overheid houdt deze ruimte neutraal door of alle levensbeschouwelijke stromingen toe te laten (zoals bij de publieke omroep) of de ruimte leeg te laten. Als er een ramp plaatsvindt zijn religieuze vormen van eerbetoon ongewenst. Zo verordonneerde de provincie Noord-Holland dat er na het neerstorten van een Turks vliegtuig in 2009 geen religieuze herdenking mocht plaatsvinden. Er is ook een scheiding tussen kerk en staat. De auteur beschrijft een mooi voorbeeld hiervan. Tussen de Nieuwe kerk en de het paleis op de Dam bevindt zich de Mozes en Aaronstraat. Mozes verwijst naar de burgerlijke overheid in het paleis en Aaron naar de geestelijke overheid in de Nieuw kerk. Bij een troonsbestijging gaat men eerst naar de kerk voor de inhuldiging en daarna naar het volk (het bordes van het paleis). Beide spelen hun eigen rol. Het is een symbolische wandeling die het grensverkeer tussen kerk en staat duidelijk laat zien.

In deze tijd is er sprake van een excuuscultuur. Namens het volk worden door de regering excuses aangeboden voor in het verleden begane misdaden, zoals de slavenhandel. Bij de christelijke erfzondeleer is er sprake van schuldbelijdenis deze wordt gevolgd door vergeving (absolutie). In de publieke ruimte zonder religie is er geen instantie die absolutie kan verlenen. Wat er overblijft zijn twee opties: eindeloos de zonden van het voorgeslacht na blijven dragen of overgaan tot de orde van de dag en het verleden het verleden laten.

Ondanks het feit dat Brinkman veel voorbeelden noemt van terreinen  waarin de rol van de religie verdrongen is, blijft hij toch optimistisch. Zelfs over de rol van de kerk, want hij beweert dat er nog altijd meer mensen naar de kerk of de moskee gaan dan naar het voetbal. Hij ziet nog een duidelijke taak voor de kerk. Hij formuleert dat in zeven punten: de kerk als plaats van bezinning en beleving; de kerk als plaats waar hoogte- en dieptepunten van het leven worden gedeeld; de kerk als plaats voor talige gemeenschapsuitingen; de kerk als sociaal verband; de kerk als katalysator van naastenliefde; de kerk als plaats van bemoediging; de kerk als plaats voor godsontmoeting. Welk antwoord heeft Brinkman nu zelf op de vraag ‘Met of zonder God? Zijn antwoord luidt: Met, graag!

Martien E. Brinkman – Met of zonder? Over de betekenis van religie op privé en publiek domein. ISBN 978-94-6431313-0, 124 pagina’s, € 18,50. Amsterdam: Uitgeverij Boekscout 2021.

Dit bericht is geplaatst in Alle Boeken, Theologie. Bookmark de permalink.